Terug naar overzicht

Mozes op de berg Nebo

Deuteronomium 34:1

Toen beklom Mozes, vanuit de vlakten van Moab, de berg Nebo, de top van de Pisga, die recht tegenover Jericho ligt. En de HEERE liet hem heel het land zien.

Volledige bijbeltekst

Deuteronomium 34:1-7
Toen beklom Mozes, vanuit de vlakten van Moab, de berg Nebo, de top van de Pisga, die recht tegenover Jericho ligt. En de HEERE liet hem heel het land zien: van Gilead tot Dan, heel Naftali, het land van Efraïm en Manasse, heel het land van Juda tot aan de zee in het westen, het Zuiderland, de vlakte van de vallei van Jericho, de palmstad, tot aan Zoar. En de HEERE zei tegen hem: Dit is het land waarvan Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb: Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, maar u mag daarheen niet oversteken. Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEERE, daar in het land van Moab, overeenkomstig het woord van de HEERE. En Hij begroef hem in een dal in het land van Moab, tegenover Beth-Peor. En niemand weet waar zijn graf is, tot op deze dag. Mozes nu was honderdtwintig jaar oud toen hij stierf; zijn oog was niet dof geworden en zijn kracht was niet vervlogen.

Uitleg bij dit schilderij

Onder leiding van Mozes is het volk Israël bevrijd uit Egypte. Veertig jaar heeft Mozes de Israëlieten door de woestijn geleid en vaak hun gemopper verdragen. In Numeri 12 vers 3 wordt Mozes de zachtmoedigste van alle mensen genoemd. In Hebreeën 11 wordt hij samen genoemd met degenen die door het geloof grote daden verrichtten. Toch mag Mozes niet het beloofde land binnengaan. Dat komt vanwege het volgende:

Als het volk moppert vanwege gebrek aan water (Numeri 20), gaan Mozes en Aäron in gebed tot God. De HEERE gebiedt Mozes Aärons staf te nemen en tot de rots te spreken. Die rots zal vervolgens water geven. Mozes handelt echter niet in geloof en gehoorzaamheid aan God en geeft Hem niet de eer. Uit bitterheid over de ongehoorzaamheid van het volk slaat hij in ongeloof tweemaal met de staf op de rots. Dan spreekt de HEERE tegen Mozes en Aäron: ‘Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten niet geheiligd hebt, zult u deze gemeente niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb’.

In de tijd voorafgaand aan zijn sterven houdt Mozes het volk de woorden van God nogmaals uitgebreid voor. Deze woorden staan beschreven in het boek Deuteronomium (‘herhaling van de wet’). In Deuteronomium 18 vers 15 profeteert hij ook over de komst van de grote Profeet: Messias Jezus. Zie ook Johannes 1 vers 46, Handelingen 3 vers 22, 7 vers 37.

Deuteronomium 34 beschrijft dat Mozes het beloofde land Kanaän wel mag zien vanaf de berg Nebo, maar het niet mag binnengaan. Nadat hij het land uit de verte heeft gezien, sterft hij, 120 jaar oud. Hij wordt door God zelf begraven in Moab. Mozes mocht ingaan in het ‘hemelse Kanaän’; in Gods rust. Hebreeën 11 vers 39 en 40. Judas vers 9.

Het binnengaan in het beloofde land is een voorafbeelding van het ingaan in het Koninkrijk van God door het geloof in Jezus Christus. In Hebreeën 3 worden wij gewaarschuwd ons hart niet te verharden zoals degenen die God in de woestijn vertoornden door hun ongehoorzaamheid. Zij konden het land niet binnengaan vanwege hun ongeloof, en stierven in de woestijn. Het is voor ons een waarschuwend voorbeeld, zodat wij het Evangelie niet zullen verwerpen (Hebreeën 2 vers 1-3). Als we het Evangelie van Jezus Christus aanvaarden, mogen we ingaan in Gods rust (Hebreeën 4, Hebreeën 12 vers 18 tot en met 29).

Psalm 95
1 Kom, laten wij vrolijk zingen voor de HEERE, laten wij juichen voor de rots van ons heil. 2 Laten wij Zijn aangezicht tegemoet gaan met een loflied, laten wij voor Hem juichen met psalmen. 3 Want de HEERE is een groot God, ja, een groot Koning boven alle goden. 4 In Zijn hand zijn de diepste plaatsen van de aarde en de toppen van de bergen zijn van Hem. 5 Van Hem is ook de zee, want Híj heeft haar gemaakt, Zijn handen hebben het droge gevormd. Kom, laten wij ons neerbuigen en neerbukken, laten wij knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft. Want Hij is onze God
en wij zijn het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand. Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet, zoals te Meriba, zoals in de dagen van Massa in de woestijn: daar stelden uw vaderen Mij op de proef, daar beproefden zij Mij, hoewel zij Mijn werk zagen. Veertig jaar heb Ik gewalgd van dit geslacht; Ik heb gezegd: Zij zijn een volk met een dwalend hart, en zíj kennen Mijn wegen niet. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij nooit binnengaan!

Stel een vraag over dit schilderij

{{ errors.first("field_10") }}
{{ errors.first("field_11") }}
{{ errors.first("field_12") }}
{{ errors.first("privacy") }}
Download gratis de afbeelding